Het was maar een routineoperatie

2016

Ik smeekte de verpleegster om een pijnstiller. Ze weigerde dat duidelijk met spijt omdat ik al genoeg had gehad. Ik was mezelf niet meer. Mijn lichaam had de strijd tegen de pijn blijkbaar al lang opgegeven. Fragmenten van de woorden van de spoedarts spookten door mijn hoofd. Die eerste nacht in het ziekenhuis, alleen op een kamer. Die ene nacht toen ik niet kon blijven liggen, zitten of staan en de crisissen elkaar op een steeds sneller tempo opvolgden. Toen ik onafgebroken moest overgeven en postvatte aan de wastafel. Tot er werkelijk geen vloeistof meer over was in mijn lijf, maar het me toch dwong om over te geven. Die nacht toen een operatie nog ver weg was.

Ik had hevige steken in mijn buikstreek, waar precies wist ik niet. Het leek allemaal pijn te doen. Ik had moeten weten dat het niet normaal was. ’s Ochtends, nog verdoofd door de pijnstiller die ik in de vroege ochtend had genomen, besloot ik om toch maar de trein richting Brussel te nemen om te gaan werken. Al snel kreeg ik spijt, de ongecontroleerde schommelingen van de trein maakten dat ik haast bedwelmd werd door de pijn. Uitgerekend die dag waren er ook stakingen en stonden we regelmatig stil. De uren verstreken op het werk en de pijn dook steeds weer op. Ik durfde ook niks zeggen om niemand ongerust te maken. Ik was niet lang geleden al ziek geweest, dus ik probeerde voor mezelf te ontkennen dat ik wéér ziek zou zijn. Achteraf bleek dat een voorbode te zijn geweest. In de late namiddag, toen ook mijn laatste pijnstiller was uitgewerkt, werd de pijn heviger en moest ik moeite doen om mezelf onder controle te houden. En toen ik naar huis kon, reden de treinen niet meer … Ik moest een hele tijd wachten totdat mijn aanstaande echtgenoot me uiteindelijk met de auto kon komen ophalen. Onderweg op de autostrade werd het pijnlijk duidelijk dat het niet meer ging, op naar de huisdokter dan maar. Ze had eigenlijk geen tijd, tot ze de symptomen hoorde en toch nog een gaatje vrij bleek te hebben voor noodgevallen. “Onmiddellijk naar spoed”, was haar diagnose. “Ik denk aan een appendicitis.” Al snel ging het door mijn hoofd dat ik misschien enkele dagen out zou zijn, maar dat ik wel weer snel uit het ziekenhuis zou worden ontslagen. Routineoperatie, toch?

“Het is vijf voor twaalf voor u.

Onderweg van de dokter naar het ziekenhuis besefte ik voor het eerst hoe hobbelig de wegen zijn. Elk niveauverschil, elke schok zette zich om in een steek in mijn buik. In een auto zitten werd ineens een uitdaging. Bij spoedgevallen werd ik vrijwel onmiddellijk onderzocht, maar schoot de routinevraag of ik drugs had genomen me in het verkeerde keelgat. Zie ik er zó uit? Uiteraard is het maar een routinevraag. Toen ik op een pijnschaal van 1 tot 10 moest uitdrukken hoeveel pijn ik had, kon de spoedarts maar niet geloven dat het zó erg was. “Dan zou u hier niet zo liggen”. Oké, staat genoteerd. De volgende keer schreeuw ik het beter uit van de pijn, kwestie van au sérieux genomen te worden. De – overduidelijk stomdronken – agressieve man in de “box” schuin tegenover me eiste de aandacht op met zijn tumult. Zoals gebruikelijk was ik het proefkonijn voor pijnmedicatie: “we proberen dit even en als je binnen een halfuur geen allergische reactie hebt, gaan we ermee door”. Zo werd ik tot drie keer toe aan een verschillende pijnstiller gelegd. Het duurde tot drie uur ’s nachts, toen zowel mijn man als ik uitgeput waren, en de pijn bleef maar voortduren. De bloedresultaten wezen echter op iets heel anders dan een appendicitis. Hepatitis? Intussen was ik ook onophoudelijk een bijna fluogroene vloeistof beginnen overgeven, het begin van een tien dagen durende marathon die werkelijk niemand wil lopen. Rond drie uur ’s nachts werd ik dan eindelijk naar kamer 413 gebracht, een nacht om nooit meer te vergeten.

Die verlossende ochtend, toen ik eindelijk voorrang kreeg voor een echo. De enkele minuten wachten, waren er te veel aan. Ik zat in een rolstoel, maar eigenlijk kon ik niet zitten van de pijn. Noch staan of lopen. Ik voelde de blikken van de volle wachtzaal mijn richting uitgaan. Het was allicht duidelijk dat ik een verschrikkelijke nacht achter de rug had. “U moet dringend geopereerd worden”. “Het is vijf voor twaalf voor u.” “Het ziet er niet goed uit.” “U bent blijkbaar ook allergisch voor de echogel.” Niet alles van de uitleg van de echografiste drong tot me door, het enige waaraan ik kon denken was de pijn. Op de echo was eindelijk te zien hoeveel ontstekingen er aan de gang waren. “U wordt om 17 uur geopereerd, er moet eerst nog worden nagegaan hoe we u kunnen verdoven.” En al om 15 uur kon het ineens niet snel genoeg gaan. Nu was het voor echt. Ik weet niet waarom – en achteraf bekeken was dat nergens voor nodig – maar de angst bekroop me om niet meer wakker te worden. Het afscheid van mijn man voelde raar aan en was emotioneel, ze hadden hem beloofd dat ik snel terug zou zijn.

Ik kon niet meer helder denken. Ik weet niet hoeveel tijd er verstreken is tussen het wachten om binnen te gaan in de operatiezaal en de eigenlijke operatie. Minuten leken uren. “De zaal wordt nog latexvrij gemaakt, voor uw allergieën, mevrouw.” Na talloze keren te antwoorden op de vraag of ik wel degelijk Valerie V. was, begon ik er zelf echt aan te twijfelen. Ben ik wel Valerie V.? Waarom blijven ze dat toch vragen? Het staat toch zo op mijn armbandje. In de operatiezaal stond ik er alleen voor, deze keer geen hulp van verpleegsters om uit het bed te geraken en op de metalen snijtafel te klimmen. De machines die op me afkwamen, waren angstaanjagend. De instrumenten die ik zag liggen ook. Als het kon, zou ik rechtsomkeer hebben gemaakt. De hoeveelheid anesthesisten en ander ziekenhuispersoneel leek me ook abnormaal. Nadat mijn infuus nog eens vervangen werd, voelde ik me wegglijden, even weg van de pijn.

Ik begreep de bezorgde blikken rond mijn ziekenbed niet.

Het gevoel na de drie uur durende operatie was fantastisch. Mijn wazig praatje op recovery ook. Ik was haast euforisch en begreep de bezorgde blikken rond mijn ziekenbed niet. Wat was ik blij om iedereen te zien. Voor het eerst in meer dan 36 uur had ik geen pijn meer, maar kon ik ook maar moeizaam bewegen. Ik sliep voor de laatste keer in weken goed.

De dag erna, toen de verpleegster me voor het eerst kwam wassen, werd het duidelijk dat het niet zo goed ging. De verdoving was inmiddels uitgewerkt. Toen ik te zien kreeg dat mijn slaapkleedje ook onder het bloed hing, voelde ik me verder onwel worden. De verpleegster kreeg het ook in de gaten en probeerde snel, zonder dat ik het merkte, het kleedje weg te moffelen en me een ander te geven. Ik raakte amper recht en kon de houding tijdens het wassen niet aan. Ik kreeg mijn ademhaling niet meer onder controle. “U hyperventileert, mevrouw.” Tijdens de wondverzorging kon ik voor het eerst de situatie inschatten: ik had vier lelijke sneden verspreid over mijn buik en een wonde voor de wonddrainage. Plots merkte ik hoe er naast mijn lichaam een potje vloeistof hing te bengelen. De kleur ervan was wansmakelijk, ik werd er onpasselijk van. Aan de andere kant hing ik sinds donderdagavond aan een infuus. Om de wonden weer te dichten, hadden ze blijkbaar een andere methode moeten kiezen, want voor de normale manier van hechten was ik – hoe kan het ook anders – allergisch.

“Dit wordt een ellendige nacht.

Wat was ik blij om mijn man in de namiddag te zien, ook al hing hij vol gele verf van het paintballen. Uitgerekend op de eerste dag na de operatie was zijn vrijgezellendag gepland, die moeilijk kon worden uitgesteld. Bovendien had ik hem verzekerd dat hij kon gaan, aan mij zou hij toch niet veel hebben. Met een dubbel gevoel begon hij aan de dag en ook ik had een dubbel gevoel. Het gaat echt niet goed, dacht ik bij mezelf. En dat bleek ook uit de bloedwaarden … Ondanks de operatie waren ze niet verbeterd. Wat was er toch aan de hand? Ik had weliswaar geen pijncrisissen meer, maar ik bleef enorm ziek, slap en moest elk uur overgeven. Eten en drinken was uitgesloten. Op mijn benen staan, ging al evenmin. Ik kan me niet herinneren ooit zo ziek te zijn geweest.

De bezoekers moesten dan ook regelmatig de kamer verlaten als het niet meer ging. Voor mijn nichtjes was het ook een akelige ervaring. Ze herkenden hun pijtje niet meer, maar waren toch enorm bezorgd. “Ben je ziek? Heb je pijn?” Is maar een greep uit hun vragen. Toen ik hun prachtige knutselwerkjes kreeg, was ik zo blij. Ze brachten een beetje vrolijkheid in mijn kamer. ’s Avonds toen al het bezoek weg was en ook mijn man de kamer moest verlaten, kon de eenzaamheid beginnen. Berichtjes sturen en beantwoorden was geen optie, ik was zelfs te slap om mijn gsm vast te houden … Lezen en tv-kijken ging ook niet, want ik kon me nergens op focussen. En zo begon er telkens weer een slapeloze nacht met korte intervallen van lichte slaap, onderbroken door de controles van de nachtverpleegster die om de twee uur langskwam (als ik ze al niet gebeld had omdat ik alweer had moeten overgeven). Haar woorden waren dan ook veelzeggend: “Dit wordt een ellendige nacht.

Omdat de bloed- en ontstekingswaarden bleven verslechteren – er was intussen immers een kettingreactie van zieke organen (slokdarm, maag, middenrif, lever, pancreas, galwegen, darmen) ontstaan – moest er maandag opnieuw een ingreep gebeuren. Die was niet zonder risico’s. Daar had ik echt geen zin in! Voor ik het wist, lag ik in een zaal, op een metalen plank. Ik was omringd door glazen wanden en rare toestellen. Deze keer nog moeilijker omdat ik op mijn verse wonden moest liggen. De verpleegsters die me hielpen, waren duidelijk bezorgd. De lokale verdoving was blijkbaar voldoende om me volledig in slaap te doen vallen, zo uitgeput was ik. Toen het voorbij was, hoorde ik ver weg iemand zeggen dat de ingreep geslaagd was. In werkelijkheid stond de verpleegster gewoon naast me. De laatste steen werd vergruisd en er werd een stent geplaatst.

Ik kon me echt optrekken aan het bezoek, al was dat ook vermoeiend.

Strontvervelend was het toen ’s ochtends de gordijnen opengingen, toen ik ein-de-lijk, na een nacht voortdurend overgeven, een beetje kon slapen. En zo ging het elke dag. Dezelfde routine. WASW (Wassen, Aankleden, Steunkousen, Wondverzorging). Dagelijks moest ik ook vragen om de voorraad nierbekkens, intussen een vast accessoire op mijn nachttafeltje, aan te vullen. Steevast bleef ook de jongeman met het ontbijt langskomen. Ik moest hem elke keer teleurstellen en wegsturen. Als ik niet lag te staren naar de druppels die in het potje van de drainage of in het buisje van mijn infuus terechtkwamen, ging ik wandelen in de gang om maag en darmen op gang te brengen. Meermaals daags deed ik dezelfde toer: van mijn deur tot het einde van de gang en terug. Helemaal niet makkelijk met mijn eigenzinnige infuuspaal en de wonddrainage waarmee ik overal bleef achter hangen. Het was niet uitzonderlijk dat ik met mijn bakje op de gang stond over te geven. De andere patiënten keken naar me alsof ik een besmettelijke ziekte had. En de oudere garde mompelde steeds hetzelfde: “da menneke ziet er toch bliejek uit za.” De ongepaste opmerkingen van de oudere man in de zithoek waren ook niet weg te denken. Al zag ik er allerminst goed uit. Na mijn wandeling was ik dan ook zó uitgeput dat ik in mijn bed moest uitrusten. Ik probeerde wel wakker te blijven, want als de dokter voor zijn dagelijkse bezoek van anderhalve minuut langskwam, moest ik voorbereid zijn en al mijn vragen afvuren. Het antwoord onthouden was moeilijker. ’s Avonds kreeg ik een prik in mijn been tegen bloedklonters. Rond die plek op mijn been had zich inmiddels een blauw-paarse vlek ontwikkeld met een diameter van ongeveer 10 centimeter. En om de dag af te sluiten, kreeg ik een licht slaapmiddeltje met een goed placebo-effect. Om enkele uren nadien weer met mijn ogen wagenwijd open naar het plafond te liggen staren. Of om een parcours uit te stippelen over hoe ik uit het bed zou kunnen gaan zonder hulp, om naar het toilet te gaan bijvoorbeeld. De alledaagse dingen waar je nooit bij stilstaat, werden ineens een issue en moesten grondig overdacht worden.

Gelukkig kon ik me optrekken aan het bezoek van familie en vrienden. Hoe ze probeerden om me te doen lachen – al deed dat pijn – en daar goed in slaagden. Hun leuke kaartjes en cadeautjes. En bloemen. Mijn lieve toen bijna-echtgenoot stond er élke dag rond 13 uur en zette zijn professionele activiteiten op een laag pitje. Helemaal niet evident in zijn geval, het werd hem niet in dank afgenomen door zijn toenmalige baas. Hij was er altijd, ook nu hij er thuis alleen voorstond. Gaan werken, zorgen dat ik propere kledij had, het huishouden runnen … Het was moeilijk afscheid nemen ’s avonds. Ik besloot dan ook om in mijn huwelijksgeloften iets te zeggen over de goede en kwade dagen.

Het vooruitzicht van onze nakende trouw was voor het eerst triest. Het is helemaal niet fijn om als toekomstige bruid zulke littekens te hebben (echt aantrekkelijk zijn ze niet). Laat staan de pijn die ik had en die ik nog maandenlang zou hebben. Allerlei rampscenario’s spookten door mijn hoofd: ik zal het gewicht van mijn jurk niet kunnen dragen. Ik zal niet op mijn benen kunnen staan. We zullen niet op huwelijksreis kunnen gaan of erger nog: we zullen ons feest moeten afgelasten. De stress die dat met zich meebracht (Wat met de uitnodiging die er nog steeds niet is? Wat met de laatste ideeën die ik nog wilde uitwerken? Hoe kunnen we het feest uitstellen?) maakte dat er zich in mijn maag nog twee extra cadeautjes ontwikkelden: maagzweren.

“Vandaag geen bezoek meer.”

En dan die ene woensdag, toen er werd beslist om toch maar een maagsonde in te brengen om het braken eindelijk te doen stoppen. De twee beste verpleegsters werden geroepen en mijn man werd even weggestuurd. Zonder verdoving werd het slangetje door mijn neus via mijn slokdarm naar mijn maag gebracht. De hoeveelheid die ik toen moest overgeven, kan in liters worden uitgedrukt. Vandaag geen bezoek meer, was het bericht aan de eventuele bezoekers. En Murphy zou Murphy niet zijn als ik die dag geen bezoek kreeg.

Het was alweer een schrikwekkende ervaring voor mijn nichtjes. Ze vonden het slangetje met het zakje eraan heel eng en hielden er zelfs enkele nachtmerries aan over. Ze durfden nog amper naar me kijken. Ook voor mij was het geen pretje. Als de maagsonde niet aangekoppeld was en ik moest braken, was ik vaak te laat om de verpleging te roepen en kwam het braaksel zowel door mijn neus als mond. Ik merkte zelf ook hoe ik de situatie verkeerd inschatte: als ik me beter voelde, zei de dokter dat ik er slecht uitzag en omgekeerd.

Ik fungeerde ook als levend speldenkussen. Dagelijks moest er namelijk bloed worden genomen. Iets banaals wat in het ziekenhuis in een nachtmerrie veranderde omdat het maar. Niet. Wilde. Lukken. Ik ben er ook een keer in geslaagd om mijn infuus uit te trekken. Alles onder het bloed en een lange weg om het weer terug te steken. Enkele pogingen later – nadat ik ook in mijn spier werd geprikt die bijgevolg helemaal opzwol – werd er iemand van de dienst Spoedgevallen geroepen om de radeloze verpleegsters te verlossen. Er werd ook verder geëxperimenteerd met medicatie om alle ontstekingen af te remmen. Helaas meestal zonder succes. Toen ik de laatste keer een antibioticum kreeg toegediend, was de allergische reactie acuut. Ik moest meteen braken en voelde me opeens onwel worden. De antibiotica werden stopgezet en ook de testen met de pijnstillers liepen op een sisser af. Ik zou het moeten stellen met een dafalganinfuus. De ontstekingen moesten dan maar genezen zonder antibiotica. Intussen waren ook mijn maag en darmen volledig stilgevallen, ondanks mijn dagelijkse wandelingen en de maagbeschermende medicatie die ik kreeg. Elke dag kreeg ik de indruk dat de toestand achteruitging in plaats van vooruit.

Een tolk met geheugenverlies?!

Het werd ook duidelijk welke impact het allemaal zou hebben op de nabije toekomst: de afspraken i.v.m. onze trouw werden steeds weer uitgesteld, waardoor de tijd uiteindelijk nog begon te dringen. Ik kon plots niet naar het concert van Rammstein waar ik maandenlang naar had uitgekeken, het eerste schoolfeest van mijn nichtjes zou aan me voorbijgaan, de verjaardag van mijn zus kon nog steeds niet worden gevierd en die van mijn nichtjes zou niet dezelfde zijn … Mijn leven stond stil en alles moest worden uitgesteld. Ook op professioneel vlak was het een ramp: ik zou voor wéken niet kunnen gaan werken, terwijl onze vertaaldienst al onderbemand is. Ook voor mijn bijberoep moest ik een oplossing zoeken. Mijn man probeerde dat op te vangen. Want ik kon en mocht niet vertalen. Gaandeweg begon het me ook op te vallen dat ik vergeetachtig was. Ik had de grootste moeite met het onthouden van de domste dingen. Lichtjes in paniek zei ik bij mezelf: “een tolk met geheugenverlies?!” Alweer een extra stressfactor. Later bleek de vergeetachtigheid het gevolg te zijn van een groot tekort aan B12 dat pas maanden nadien weer hersteld was.

Op vrijdag werd besloten om mijn wonddrainage te verwijderen nu er toch niet meer veel in het potje terechtkwam. Ik had er nooit bij durven stilstaan hoé dat moest: het buisje zat immers in mijn lichaam verankerd … En zoals ik vreesde, moest het er gewoon worden uitgerukt. Het deed pijn, maar ik was blij om van dat akelige gedrocht verlost te zijn.

De autorit naar huis was hels.

Op zaterdag kreeg ik voor het eerst positief nieuws: ik zou misschien zondag naar huis mogen, enkel als mijn maag en darmen dat toelieten en de bloed- en leverwaarden meewilden. Ik stond nog voor de laatste nachtmerrie: het verwijderen van mijn maagsonde, die in één ruk uit mijn neus werd gesleurd. Op zondag werd ten slotte ook mijn infuus verwijderd. En zo verdween mijn ziekenhuisgewaad langzaamaan. “We zullen u naar huis laten gaan,” klonk het niet zo overtuigde verdict van mijn specialist, ook al waren de waarden beter. Toen ik mocht vertrekken, stelden de eerste problemen zich meteen: ik moest de kamer leegmaken (maar kon amper bukken, bewegen, rondlopen). De intussen verwelkte bloemen moesten weg, ik moest me aankleden … Voor het eerst moest ik weer echte kleren dragen, mission impossible. Toch was ik opgetogen toen ik de deur van kamer 517 definitief achter me kon dichttrekken. Tot ik in de auto stapte, en niet kon van de pijn bij elke schok. Meer en meer drong het tot me door dat ik de draad van het gewone leven niet in de nabije toekomst zou kunnen opnemen.

Elke avond was ik bang om te gaan slapen, bang voor de nachtmerries.

Thuis stond ik voor de complete ontnuchtering: hoe graag ik ook het ziekenhuis wilde verlaten, ik miste de praktische dingen meteen. Ook eten was een issue geworden. Toen ik de eerste keer at, leek het bord met rijst en peultjes me aan te staren en at ik het maar moeizaam op, met een emmer naast me op de grond. Voor you never know. Ik moest opnieuw leren eten. Onze veel te lage zetel was duidelijk niet aangepast aan mijn situatie. De enkele meters naar de badkamer waren plots onoverkomelijk, en het ergste: het muurtje rond het bad was onoverbrugbaar. Het kostte me telkens meer dan 15 minuten om erin te klauteren. Ons bed – dat niet instelbaar is zoals een ziekenhuisbed – voldeed absoluut niet en zorgde voor nog meer pijn. Op mijn zijkant of buik liggen, was uitgesloten. Mijn slaaptekort werd alsmaar nijpender – ik was uiteraard ook niet moe – tot ik op de duur bang was als het weer zover was: hoe ga ik deze keer proberen in te slapen en hoelang zal het weer duren vooraleer dat lukt?

Intussen bleek ook dat ik voor alles hulp nodig had. Voor ALLES. Mijn man besloot dan ook om zorgverlof te nemen, wat moest ik toch zonder hem?! Hij hielp me in en uit de zetel/het bed, zorgde ervoor dat ik zittend kon douchen, hielp me bij het wassen en de verzorging, gaf me mijn medicatie … Schuldgevoelens staken de kop op. Ik vond het zo erg voor hem dat hij gebombardeerd werd tot thuisverpleger, terwijl hij ook niet wist hoe hij het moest aanpakken. Ik miste het ziekenhuis en vooral de verzorging. Hadden ze me dan toch niet te vroeg laten gaan? Later stelde ik mezelf vooral de vraag waarom ik geen beroep heb gedaan op professionele thuisverpleging. Vreemd genoeg sta je er niet bij stil als je in zo’n situatie zit. Je schakelt automatisch op een soort van overlevingsmodus.

Ook het bezoek miste ik. Zoals dat altijd gaat, krijg je bezoek in het ziekenhuis, maar zodra je thuis bent, neemt dat af. Alsof je van de ene dag op de andere genezen bent. Ik kreeg nog veel berichtjes, maar de frequentie ervan daalde stilaan. Tot het op de duur meer naar de achtergrond verdween, terwijl ik nog steeds ziek was. Het leven ging natuurlijk verder, wat normaal is. Behalve dat van mij, dat leek eerder stil te staan. Toen ik flauwviel onder de douche, trok de dokter aan de alarmbel. Mijn bloed- en leverwaarden moesten op de voet worden opgevolgd, elke week. De koerier, die al weg was met de bloedstalen, werd door de dokter opgebeld om rechtsomkeer te maken en alsnog mijn staal te komen ophalen. De dag erna bleek dat mijn lever en pancreas nog heel ziek waren en bovendien bleef er maar galvocht uit mijn wonde komen. Het herstel zou laaaang aanslepen, zeker voor de lever, want die neemt graag zijn tijd. De uiterlijke kenmerken wezen ook duidelijk op mijn zieke lever: ik had een gele gloed op mijn huid en ook mijn eeuwige vijand, acne, was weer van de partij. Om van de hormonale problemen maar te zwijgen. Door de leverproblematiek kon ik tijdelijk geen anticonceptiepil meer nemen, wat uiteraard nog voor extra ongemakken zorgde. Maar de dokter stelde me gerust: mijn littekens zouden na zes maanden vervagen en verkleuren. Helaas besliste de hypertrofie daar anders over.

Alsof alles wat dokter Google schrijft, waar is.

Wat ik niet miste, waren de goedbedoelde, maar misplaatste opmerkingen en verhalen die ik her en der hoorde. Over de routineoperaties en vergelijkingen die onomwonden werden gemaakt. Alsof het allemaal specialisten waren. Alsof alles wat dokter Google schrijft, waar is. “Daar zal je niet veel last van hebben.” “Op een paar dagen ben je dat vergeten.” Telkens moest ik uitleggen dat het niet gewoon bij een routineoperatie bleef, maar er ook een heel ziektebeeld achter schuilging. “Die verloren kilo’s zijn toch mooi meegenomen?” was ook een klassieker. Als ik eraan dacht hoé ik ze dagelijks brakend kwijt was geraakt, was ik daar niet zo zeker van. Alsof gewichtsverlies altijd en voor iedereen positief is.

Weken verstreken en gaandeweg kwam het herstel op gang, langzaam maar zeker. De inwendige genezing verliep niet zonder pijn: het littekenweefsel en de wondstrengen die werden gevormd, zorgden voor steken waardoor ik pijn bleef hebben aan mijn ribben en schouder. Zo bleef het moeilijk om gewone kleding te dragen, laat staan een bh. De situatie thuis bleef moeilijk omdat ik niet alles zelf kon doen. Mijn wonden wassen onder de douche vond ik nog steeds eng, ik durfde ze niet goed aan te raken. 2 van de 5 wilden ook maar niet goed genezen. Toen mijn man weer voltijds ging werken, stak de verveling de kop op. Ironisch genoeg was er zó veel werk thuis, nog zo veel dingen die ik wilde doen (en zelf moest doen) voor onze trouw. Het enige wat ik kon, was rusten. Bang afwachten op het bezoek van de controlearts. Bang om niet op tijd aan de parlofoon te geraken om hem binnen te laten. Na de operatie werd ik ook nog door het ziekenhuis opgevolgd, en moest ik nog twee keer een gastroscopie, een CT-scan en een MRCP ondergaan. Het gaf me de indruk dat ik mijn periode in het ziekenhuis maar niet achter me kon laten. Gelukkig werd er niets meer gevonden.

Mijn trouwjurk werd last minute aangepast aan mijn veranderde lichaamsvorm. Op de dag van de trouw voelde ik me niet 100%, al had dat deels ook te maken met de stress. De acne was beter, maar helaas niet helemaal weggetrokken. Toen ik mijn jurk aantrok, was er bewust niemand in de buurt, mijn littekens wilde ik voor mezelf houden. De huwelijksgeloften, waarin ik het onder meer had over de kwade dagen, waren emotioneel. Tijdens de fotoshoot kreeg ik stekende pijn in mijn buik en was ik vooral heel moe. ’s Avonds, net voor de openingsdans, had ik opeens veel rugpijn en voelde ik me over het algemeen niet goed, waardoor ik niet voluit kon dansen zoals ik had gehoopt. Jammer om je zo te voelen op je eigen trouwfeest. Ik heb het gevoel dat de trouw voor mij te vroeg gekomen was, dat ik nog niet voldoende hersteld was. Enkele weken later had ik me misschien veel beter gevoeld.

De littekens herinneren me elke dag aan wat er is gebeurd.

De geur van nota bene mijn eigen zeep waarmee de verpleegsters me wasten, roept nog steeds nare gevoelens op. De smaak die allerlei geneesmiddelen hebben achtergelaten, meen ik nog steeds te proeven. De tekeningen van mijn nichtjes geven me nog vaak een dubbel gevoel. De geur van de nierbekkens en de drainage raak ik niet meer kwijt. Het gevoel van de maagsonde die uit mijn neus wordt gerukt, is een blijvende nachtmerrie. De pijn in mijn schouder na een drankje met te veel bruis, is er nog altijd. Mijn middenrif is nog steeds geprikkeld. De problemen met de pil blijven voortduren. De onverklaarbare steken in mijn buik treden de laatste tijd weer meer op. Het slechte slaappatroon is nog steeds niet doorbroken en ik kan nog altijd niet goed op mijn buik slapen. De littekens zijn er nog duidelijk en zijn slechts licht verkleurd. Door de hypertrofie gaat het allicht zo blijven. Ik durf ze aan niemand tonen. Maar ach, ik ben genezen. En het was maar een routineoperatie.

2019

Eind vorig jaar moest mijn man een gelijkaardige ingreep ondergaan. Een routineoperatie. Meteen kwamen alle herinneringen weer naar boven en was ik bang dat hem hetzelfde lot te wachten zou staan. Ook al waren onze situaties niet te vergelijken en was het bij hem eerder preventief dan curatief. Ik vond het nog veel erger dat hij zoiets zou moeten ondergaan. Alles werd zwart in mijn hoofd. Toen hij opgehaald werd door de verpleegsters, bleef ík deze keer alleen achter op zijn kamer. Een lege kamer. Nu weet ik ook hoe dat destijds voor hem voelde. Ik zal niet vertellen wat er door mijn hoofd ging toen hij weg was, maar ik wens het niemand toe.

Het verliep echter meer dan goed. Zo goed dat je je afvroeg welke klap er nog zou volgen. “Het herstel zal wel moeizaam gaan, hij zal wekenlang niet zelfstandig zijn”, spookte door mijn hoofd. Niets was minder waar. De dag na de operatie zat hij al aangekleed op me te wachten in zijn “hotelkamer” voor één nacht. De dagen en weken nadien verliepen haast vlekkeloos. Natuurlijk had hij pijn, maar het was allemaal onder controle. En nu, zes maanden later, lijkt het alsof hij nooit geopereerd is. Zijn littekens zijn amper zichtbaar en lijken eerder op kleine schrammetjes. Hij vergeet zelfs dat het gebeurd is. Routineoperaties kùnnen dus ook echt routineoperaties zijn. Het contrast kon niet groter zijn.

Aan elk negatief verhaal zit ook iets positiefs. Die ene verpleegster die ik graag zag komen omdat ze me écht geholpen heeft. Die ene lieve dokter die oprecht bezorgd was en die op haar ronde extra tijd probeerde vrij te maken. Die ene stagiair-verpleegster die me veel jonger had geschat (waarvoor dank) en die het maar niet kon geloven dat ik als “student” bijna in het huwelijksbootje ging stappen. De ontelbare berichtjes van mijn familie, mijn vrienden en mijn collega’s. Hun steun. De prachtige juwelen die ik cadeau kreeg van mijn zusjes. Het boeket van mijn collega’s. Het moment dat we de foto’s voor onze trouwuitnodiging aan het kiezen waren op mijn ziekenbed. De bezoekjes – zeker dat ene toen ik slappe lach kreeg – en dan vooral die van mijn oogappeltjes. En dat van mijn grootvader die er niet meer is. Mijn man die er altijd was, daar zijn gewoon geen woorden voor. En dat allemaal voor een routineoperatie.


Posted

in

by

Tags:

Comments

Plaats een reactie